START        ORGANISATIE        WEEKBERICHTEN        LIDORGANISATIES        ACTUEEL        KLOO        SOO        LINKS        CONTACT


m
2008                
2009                2010                2011                2012
m

week:
2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 16 - 17 - 20 - 22 - 23 - 24 - 26 - 27 - 36 - 37 - 38 - 39 - 40 - 41 - 42 - 45 - 46 - 48 - 49 - 50 - 51


2009                                                                                              WEEKBERICHT WEEK 49

 

Deze week vraag ik uw aandacht voor het volgende:
 



Einsteinleerlingen studeren met vlag en wimpel af in Londen.
De 5e jaars leerlingen die de (Engelstalige) tweetalige opleiding (TTO) op het openbaar Einstein Lyceum te Rotterdam - Hoogvliet volgen, hebben hun studie afgesloten met een studie naar de multiculturele samenleving op de gerenommeerde William Morris Sixth Form in Londen. De conclusies van het project werden op vrijdag 20 november gepresenteerd aan de directies van beide scholen, de begeleiders en begeleidende leerlingen van William Morris.

“De leerlingen hebben twee weken keihard gewerkt (studielast van 100 klokuren) en de resultaten zijn fantastisch!”, aldus TTO coördinator Laura Coussement, hoofdbegeleider van het project. Het thema werd uitgewerkt in diverse afdelingen van de school. Zo ontstond er na demografisch onderzoek een prachtig kunstwerk op de Arts department, werd er wiskundig onderzoek gedaan naar de groei van diverse bevolkingsgroepen leidend tot een prognose voor de toekomst, werd er sociologisch onderzoek gedaan naar de gevolgen van emancipatie, werd er een paneldiscussie gehouden en werd er zelfs met de Performing Arts department een nieuwe dans als uitingsvorm van de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. Alle deelnemende leerlingen zijn geslaagd voor het 1e gedeelte van het TTO examen. De eindbeoordeling van de projecten (het 2e onderdeel van het examen) vond plaats nadat de projecten op 1 december in Hoogvliet voor ouders en belangstellende medeleerlingen en Einstein personeelsleden gepresenteerd waren. De leerlingen ontvingen tevens een, door beide scholen ondertekend, certificaat dat het bewijs is dat deze leerlingen in staat zijn op het hoogste Engelse niveau kunnen functioneren in het Engelse onderwijssysteem.

De groep leerlingen werkten goed samen met elkaar en met studenten van William Morris. Het Engels was daarbij slechts een gereedschap. “Waar het om ging was alle tot dusver verkregen kennis en inzichten in te zetten om onderzoek te doen op het hoogste niveau. En dat hebben deze leerlingen laten zien”, aldus Coussement.

William Morris zei hierover het volgende: “The students were a credit to the Einstein Lyceum in their behaviour, the way they interacted with their peers and the way they worked on their projects”.

Het Einstein Lyceum is de enige TTO school in de regio die een dergelijk project aanbiedt. Daarmee geeft de school wederom aan dat ze hun slogan ‘altijd slim bezig’ op een serieuze manier uitwerkt om daarmee de talenten van leerlingen zo maximaal mogelijk te ontplooien.
 



Gymnasium mag overstappen naar nieuw bestuur!
Onder deze kop besteedt het Onderwijsblad van de AOb van 28 november jl. op blz. 8 aandacht aan het feit, dat een verzelfstandigd bestuur openbaar onderwijs, in dit geval het bestuur “Openbaar Onderwijs Zwolle” (OOZ) akkoord gaat met het uitstappen het Celeanum Gymnasium te Zwolle als een meerderheid van de ouders en het personeel daarvoor kiest.
Daarbij passen een paar kanttekeningen.

  1. Reden voor het willen uittreden is het bezwaar dat personeel en ouders hebben tegen het in hun visie disproportioneel moeten meebetalen van de school aan indirecte kosten door een afdracht van 4 % van het schoolbudget aan het bestuursbureau. Curieus is, dat het Stichtingsbestuur van OOZ kiest voor de weg van de minste weerstand, nl. door de houding aan te nemen van: “Gaat u maar weg als het u niet zint.” Er wordt dus niet voor gekozen de dialoog aan te gaan over de vraag of die 4 % indirecte kosten echt nodig zijn en dat het terecht is dat het kleine gymnasium voor een discutabel bedrag wordt aangeslagen.

  2. De Stichting OOZ bestuurt van overheidswege ingestelde instituten/scholen voor openbaar onderwijs. De vraag doet zich voor of het zo maar kan, dat de gemeente Zwolle, die het “eigen openbaar onderwijs””heeft overgedragen aan een “stichtingsbestuur” voor openbaar onderwijs hier het nakijken heeft of moet ingrijpen. Dat lijkt noodzakelijk al was het alleen al vanwege het feit, dat financiële verantwoording achteraf aan de gemeente Zwolle verplicht is.

  3. Hoe verloopt de communicatie tussen enerzijds personeel en ouders van voornoemd gymnasium enerzijds en het stichtingsbestuur anderzijds? Kennelijk niet goed,als men het artikel doorleest. Ook hier weer de vraag of de verzelfstandiging de beloofde korte lijntjes tussen bestuur en werkvloer waarmaakt.

  4. Dit probleem wordt niet aangepakt door het OOZ bestuur. Neen, er wordt een extern bureau ingehuurd (in dit geval Van Beekveld & Terpstra) om te onderzoeken of een overstap naar een ander bestuur wel/niet gerechtvaardigd is. Dat betekent weer belastinggeld van de burger naar een bureau, dat leeft van opdrachten van besturen die beleidsvragen moeten beantwoorden, die ze zelf niet kunnen/durven geven.

  5. CBOO lidorganisatie AOb/AVMO pleit voor meer zeggenschap van personeel en ouders in de vorm van een vereniging voor openbaar onderwijs per school/groep scholen, die onderwijsbeleid en - kwaliteit maakt en daarover verantwoording aflegt. Dat is direct te controleren en biedt ook transparantie, zeker omdat CFI gelden dan terecht komen in de onderwijsinstellingen, waarvoor dat geld door de Rijksoverheid bedoelde is.

  6. Ondanks het feit, dat Van Beekveld & Terpstra aangeven, dat kwaliteit en continuïteit van het Celeanum gymnasium het best gewaarborgd zijn bij het huidige bestuur mag de school wel vertrekken als een meerderheid van ouders en personeel dat wil! Dat leidt tot de brandende vraag wat eigenlijk de legitimiteit is van het OOZ bestuur is en op grond waarvan men besluit de kwaliteit van het onderwijs in de waagschaal te stellen als waar is wat het adviesbureau adviseert.



De levensbeschouwelijke landkaart van het openbaar primair onderwijs.
Onder deze titel heeft het project Scholing en Organisatie G/HVO een onderzoek laten uitvoeren naar de behoefte van ouders van G/HVO en de verdeling van deze behoefte over de verschillende godsdienstige richtingen en levensbeschouwingen. De algehele conclusie lijkt te zijn dat er bij de basisscholen een belangrijke positieve grondhouding m.b.t. G/HVO bestaat en gerekend moet worden op een belangrijke toename van de vraag naar G/HVO. Meer informatie over de uitslag van het onderzoek is vanaf vrijdag 4 december beschikbaar via de volgende website www.gvoenhvo.nl.


 



Aanvullende informatie over het Lerarenregister, ook voor alle geledingen in het openbaar onderwijs.

Inleiding
Op 11 november j.l. vond er een bijeenkomst plaats, waarin de bestuurders van de vakinhoudelijke verenigingen werden geïnformeerd over de laatste stand van zaken rond het Lerarenregister. Tijdens deze bijeenkomst bleek dat er nog enkele vragen waren rond het Lerarenregister:
1. Hoe strookt het eigenaarschap van vakverenigingen met regievoering SBL en
wat betekent dat voor de respectievelijke rollen en verantwoordelijkheden?
2. Hoe vertaalt zich dat in de organisatie van het Lerarenregister?
3. Is het Lerarenregister financieel haalbaar?
4. Nut en noodzaak van het Lerarenregister voor de leraar?
5. Hoe ziet het communicatieplan eruit?
In onderstaande notitie worden bovenstaande vragen achtereenvolgens behandeld.

1. Eigenaarschap vakverenigingen in relatie met regievoering SBL
Hoe is het register en de aanloop ernaar toe formeel geregeld?
Het kader voor het antwoord op deze vraag wordt gegeven in een brief van de minister van OCW (TK 27 923 nr 35, Werken in het onderwijs, 2006) en in de nieuwsbrief Levende Talen van januari 2007. Met behulp van bovengenoemde stukken wordt ingegaan op de volgende vraagstukken
- Rol en verantwoordelijkheid leraar t.a.v. zijn bekwaamheid in relatie met werkgever
- Lerarenregister: eigenaarschap (publiek/privaat)
- Rol SBL/vakinhoudelijke verenigingen binnen het Lerarenregister

Rol en verantwoordelijkheden werkgever- leraar
De minister maakt in zijn brief (2006) eerst een onderscheid tussen de rol en de verantwoordelijk van het bevoegd gezag van een school en die van de leraar: “Het bevoegd gezag moet voorzien in maatregelen en instrumenten opdat het personeel zijn bekwaamheid kan onderhouden en een bekwaamheidsdossier bijhouden voor elk personeelslid dat aan de bekwaamheidseisen moet voldoen. Maar dat is iets anders dan een registratie op landelijk niveau waarbij de beroepsgroep zelf nadrukkelijk verantwoordelijkheid kan nemen voor onderhoud en ontwikkeling van bekwaamheid.”

In het wetsvoorstel ”Professionele Ruimte” (2009) wordt dit onderscheid tussen bevoegd gezag (werkgever) en leraar verder uitgewerkt waar het gaat om de kwaliteit van de leraar als belangrijkste factor van de kwaliteit in onderwijs. De leraar is eigenaar van de eigen ontwikkeling, maar de werkgever heeft te maken met de uitkomsten daarvan. De kwaliteit voor de klas is het doel en de verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer gezamenlijk. Er dient sprake te zijn van een professionele dialoog met een gedeelde verantwoordelijkheid.
Binnen het kader van het eigenaarschap en de verantwoordelijkheid van de leraar, is het register gepositioneerd.

Lerarenregister: eigenaarschap (publiek/privaat)
In de brief van de minister uit 2006 wordt ingegaan op het verschil tussen een publiekrechtelijk en een privaatrechtelijk register. De minister geeft aan een publiekrechtelijk register nog te vroeg en te weinig onderbouwd te vinden. ” Wel ben ik van mening dat een privaatrechtelijk register waarbij beroepsbeoefenaren zich op vrijwillige basis kunnen aansluiten, een goede mogelijkheid kan zijn om de professionele ontwikkeling van de beroepsgroep een stimulans te geven en daarmee ook de beroepsgroep te versterken.” Als voorbeeld worden de NSA (Nederlandse Schoolleidersacademie) en VELON genoemd. “De tijd is nu rijp om goede initiatieven op dat punt verder te ondersteunen….Bovendien is er belangstelling, bijvoorbeeld bij de Vereniging Levende Talen. Maar ook de leraren lichamelijke opvoeding en de leraren wiskunde hebben al initiatieven ontplooid. Ik heb daarom kortgeleden de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel (SBL) gevraagd de regie te nemen en deze initiatieven te coördineren. SBL zou houder kunnen zijn van een privaatrechtelijk register waarbij leraren zich op vrijwillige basis aansluiten.” ….”Voor de vakinhoudelijke en didactische kant kunnen vakinhoudelijke verenigingen, die dat wensen in eerste instantie aanspreekbaar zijn. Het initiatief van de Vereniging Levende Talen kan daarbij als pilot fungeren waarbij SBL dan opdrachtgever is. Ook het overkoepelende platform van Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs (VVVO) zou hierin een bijdrage kunnen leveren.”

In de eerste nieuwsbrief (jan.2007) bij het project BiT (Beroepsstandaarden en register in het Talenonderwijs) wordt bevestigd dat het registerproject binnen de door de minister gestelde kaders (zie hierboven) wordt uitgevoerd en dat het project is ingegeven door de wet BIO.: “Op 1 augustus 2006 trad de Wet op de Beroepen in het Onderwijs in werking (de Wet BIO). Verplichte registratie van leraren maakt van deze wet geen onderdeel meer uit. Een door de beroepsgroep zelf gehanteerde registratie is een waardevolle aanvulling op de Wet BIO als een teken van kwaliteit van individuele beroepsbeoefenaren. Diverse vakverenigingen en onderwijsorganisaties willen de mogelijkheden verkennen om een register van leraren open te stellen……In september 2006 heeft de minister van OCW aan de Stichting Beroepskwaliteit Leraren (SBL) gevraagd de regie te nemen en deze initiatieven te coördineren.”

Kortom: het register is –binnen de professionele dialoog met de werkgever- gepositioneerd bij de leraar. Deze is eigenaar van de inhoud van zijn ontwikkeling en wordt geacht daarover aan werkgever en andere betrokkenen verantwoording af te leggen. Het register is daartoe het instrument bij uitstek. De leraar registreert zich op basis van vrijwilligheid. Het register is van de beroepsgroep en is voor en door de beroepsgroep tot stand gekomen. Er is daarmee sprake van een privaatrechtelijk register. Het staat de leraar vrij zich al dan niet te laten registreren.

Rol SBL en vakinhoudelijke verenigingen binnen het Lerarenregister
SBL heeft van de minister als stimulator en subsidiegever de opdracht gekregen het proces naar het register te regisseren en te coördineren (subsidievoorwaarde). Deze opdracht is verder uitgewerkt in nauw overleg met de beroepsgroep, bij wie het primaat ligt als het gaat om professionele kwaliteit. SBL draagt zorg voor de noodzakelijke afstemming van de inhoud van die kwaliteit tussen de diverse (deel)beroepsgroepen. Dit betreft zowel de afstemming tussen de sectoren (po/vo/mbo) als tussen de verschillende vakinhoudelijke verenigingen. Ook wat betreft de procedures en de criteria heeft die afstemming plaatsgevonden. Dit geschiedde vanuit de gedachte - die door de beroepsgroep werd gedeeld- dat het gewenst is de resultaten van het proces onderling vergelijkbaar te laten zijn omdat het anders onmogelijk wordt een gezamenlijk systeem te bouwen. Vertegenwoordigers van de beroepsgroep hebben geoordeeld dat een dergelijke regie en coördinatie door SBL ook in de staande (toekomstige) organisatie van het register nodig is. Ook dan moet om dezelfde redenen onderling worden afgestemd en gecoördineerd. Daarbij komt dat het niet efficiënt en financieel onhaalbaar is het beheer (de uitvoering) van het register in handen van de afzonderlijke beroepsgroepen te geven. Tenslotte moet ook de niet-georganiseerde leraar zich “thuis” voelen in het Lerarenregister. Vandaar dat gekozen is het Lerarenregister vorm te geven in een organisatie met een centraal en een decentraal deel. Het eerste is ondergebracht bij SBL, het laatste bij de diverse (deel)beroepsgroepen.

2. De organisatie van het register
Hoe ziet de organisatie van het lerarenregister eruit?
Het centrale deel
• Behartigt het onderhoud van de webomgeving (functionaliteiten, hosting, helpdesk, afstemming met verenigingssites),
• beheert de centrale database (gaat niet over wie er in opgenomen wordt),
• is doorgeefluik voor de aanmeldingen (na een technische controle) naar de registratiecommissies van de verenigingen,
• wikkelt de aanmeldingen na advies van die registratiecommissies administratief af en
• regelt en coördineert de validering van het professionaliseringsaanbod (doet dat niet zelf).
Het decentrale deel is ondergebracht bij elke vakinhoudelijke vereniging afzonderlijk en wordt uitgevoerd door een Registratiecommissie. Deze stelt vast of leraren die zich willen registreren voldoen aan de vereiste criteria. Zij is verder betrokken bij de steekproeven (controle op de juistheid van de door de leraar opgegeven activiteiten) en bij de (inhoudelijke) beoordeling van het professionaliseringsaanbod (validering).

Samenvattend: voor de diverse beroepsgroepen is er sprake van een “shared ownership”, een federatief eigenaarschap: dit betekent dat de beroepsgroepen zich committeren aan wat in breder verband tot stand wordt gebracht. Dat betreft
• de inhoud,
• de infrastructuur,
• het instrumentarium,
• et beheer en
• de reglementen van het Lerarenregister.
Echter de autonomie van de eigen organisatie blijft daarbij het uitgangspunt. SBL vervult daarin een ondersteunende rol, zij faciliteert, coördineert en voert in overleg met de diverse beroepsgroepen regie over de processen. Uiteraard heeft zij daarbij een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de kwaliteit van de door haar uit te voeren taken en van de ontwikkelde producten.

3. Financiële haalbaarheid
Is het Lerarenregister Financieel haalbaar?
Na de kaderstellende gesprekken met de subsidieverstrekker OCW is de begroting van SBL voor het jaar 2010 opgesteld. In de bestuursvergadering van 27 november j.l. is deze door het bestuur vastgesteld. De begroting wordt voor de finale goedkeuring nog aan OCW voorgelegd. In deze begroting is rekening gehouden met de start van het register in 2010. Er is ook voldoende financiële armslag om dat te verwezenlijken. Verder is rekening gehouden met de lopende projecten en met een centrale en decentrale organisatie. Uit de beschikbare gelden kan de Registratiecommissie op het niveau van de vakvereniging betaald worden.
Voor de jaren daarna zijn natuurlijk nog geen uitspraken gedaan.

4. Nut en noodzaak van het Lerarenregister
Waarom zou een leraar zich willen inschrijven in het register?
Een belangrijke aanzet tot het antwoord op deze vraag wordt gegeven in de beschrijving van de doelstelling van het lerarenregister:
“De doelen van het lerarenregister zijn als volgt vastgesteld:
• het inspireert en motiveert leraren om te werken aan bekwaamheidsontwikkeling;
• het maakt de professionele ontwikkeling van leraren inzichtelijk en biedt een waarborg van die kwaliteit naar de buitenwereld;
• het levert een bijdrage aan de versterking van de beroepsgroep en de beroepsidentiteit.”
Met andere woorden: “Het biedt leraren de mogelijkheid om zichtbaar te maken dat zij na het behalen van een initiële bevoegdheid hun professionaliteit (hebben) onderhouden. Het register is een stimulans voor blijvende ontwikkeling. De standaarden die aan het register ten grondslag liggen zijn een kader voor reflectie op de eigen kwaliteit en geven richting aan de verdere ontwikkeling. Daarbij is het essentieel dat de beroepsgroep zelf de norm stelt van wat zij een goede leraar vindt. De beroepsgroep kan een goed kwalitatief niveau van de professionele ontwikkeling vragen. Daardoor krijgt het register uitstraling en draagt het bij aan de verhoging van de status van het leraarsberoep en daarmee aan de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep.

Het lerarenregister is het instrument bij uitstek om de in de wet BIO verankerde professionaliseringsplicht m.b.t. kennis en kunde van zijn vak/beroep te borgen en te verantwoorden.
De aanwezigheid van een register versterkt de positie van de leraar in de onderhandelingen met de leidinggevende waar het gaat om de eigen keuze voor scholingsactiviteiten
De ervaring bij andere beroepen leert, dat een register statusverhogend werkt, dat het de rol en de identiteit van de beroepsgroep versterkt en dat er in de onderhandelingen met stakeholders (bonden, werkgeversorganisaties, opleidingen) voor de geregistreerden voordelen en rechten behaald kunnen worden (civiel effect).

Dit civiele effect wordt merkbaar als het register zijn bestaansrecht en zijn waarde voor de kwaliteit van het onderwijs heeft bewezen. Onderhandelen met een lege hand of met teveel vraagtekens levert nu eenmaal niet veel op. Het komende jaar is de inschrijving gratis . Als voldoende leraren zich inschrijven krijgt zowel het register als de titel registerdocent vanzelf betekenis in het onderwijsdebat, in de kwaliteitscriteria van scholen en dus in de onderhandelingen over toekennen van voorrechten in welke vorm dan ook. Dan hebben de registerdocenten in hun gezamenlijkheid zich een positie verworven in het onderwijsbestel. Deze positie is nodig gezien de rol die van de leraar wordt verwacht in het Wetsvoorstel Professionele Ruimte (2009) en in de onderhandelingen over de materiële en immateriële versterking van het leraarschap

De Agogisch en Maatschappelijk werkers hebben ook een Beroepsregister. Zij spreken van een professionele meerwaarde van het register op de volgende punten:
• Erkenning van het up-to-date zijn van de eigen professionele kennis: door de registratie heeft de professional een formele erkenning van de waarde van de eigen deskundigheidsbevordering.
• Legitimering naar cliënten: door middel van registratie toont de professional aan dat hij continu investeert in het bijhouden van de eigen professionele kennis. Dit kan effect hebben op het vertrouwen dat de cliënt in de professional heeft.
• Legitimering naar andere hulpverleners: door registratie toont de professional aan dat hij de eigen deskundigheid continu ontwikkelt en op de hoogte is van nieuwe inzichten en methodieken.
• Legitimering naar de werkgever: door registratie laat de professional zien het beroep serieus te nemen door continu activiteiten te ontplooien voor de eigen professionele ontwikkeling. Steeds vaker vragen werkgevers in advertenties naar beroepsregistratie of komt het tijdens sollicitatiegesprekken aan de orde.
• Om voor bepaalde keurmerken in aanmerking te komen wordt organisaties vanuit kwaliteitsoverwegingen aanbevolen om medewerkers te laten registreren.
Registreren, ja natuurlijk!
● Als je het belangrijk vindt om je verder te ontwikkelen in je vak.
● Als je het niveau en de status van het lerarenberoep wilt verhogen.
● Als je het belangrijk vindt dat er transparantie is over de kwaliteit van de
leraar.
● Als je met collega’s en andere betrokkenen in gesprek wilt blijven over
onderwijs op niveau.
● Als je in je beroep gaat voor: goed, beter, best!

5. Communicatie Lerarenregister
Hoe ziet het communicatieplan eruit?
Bij de communicatie over het Lerarenregister zijn er twee groepen te onderscheiden waarmee gecommuniceerd moet worden. De eerste groep is te omschrijven als “de leraar”. Hiervan is een gedeelte georganiseerd via de vakinhoudelijke verenigingen en of bonden en een gedeelte ongeorganiseerd. De tweede groep bestaat uit partijen en organisaties (sectorraden, inspectie, lerarenopleidingen etc.) die zich direct dan wel indirect bezig houden met leraren. Deze groep van stakeholders worden afhankelijk van hun rol ten aanzien van het Lerarenregister geïnformeerd over dan wel betrokken bij het Lerarenregister.

Voor de communicatie met de beroepsgroep (“de leraar”) wordt een onderscheid gemaakt in de communicatie met de georganiseerde leraar en de ongeorganiseerde leraar. De georganiseerde leraar wordt middels zijn vereniging en of vakbond geïnformeerd en opgeroepen voor inschrijving in het Lerarenregister. Hiervoor krijgen de verenigingen de beschikking over een aantal producten (banner, persbericht, folder, artikel etc) die zij naar gelang kunnen inzetten. Ongeveer vier maanden voor de officiële opening van het Lerarenregister, komen de eerste producten voor de vakorganisaties ter beschikking. Dit omdat de tijdspanne tussen het informeren over en het concreet oproepen tot actie (inschrijving) zo kort mogelijk moet worden gehouden.

De communicatie naar de ongeorganiseerde leraar wordt ingezet middels een campagne, ondersteund door landelijke persactiviteiten. De boodschap en de strategie van deze campagne, wordt in de aankomende maanden ontwikkeld en uitgewerkt. Dit gebeurt binnen het projectteam Registratie in samenspraak met de werkgroep Communicatie. In deze werkgroep zijn de vakinhoudelijke verenigingen vertegenwoordigd.
 



Nieuwe stuurlui bij de VOS/ABB.
lees verder http://www.vosabb.nl/werkgevers-in-onderwijs/actueel/nieuws/item/artikel/14797/18/