START        ORGANISATIE        WEEKBERICHTEN        LIDORGANISATIES        ACTUEEL        KLOO        SOO        LINKS        CONTACT


m
2008                2009                2010
                2011                2012                2013               2014
m

week:
2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 15 - 16 - 17 - 20 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - 26 - 36 - 37 - 41 - 42 - 44 - 45 - 46 - 47 - 48 - 49 - 50 - 51



22 mei 2013
                                                                     WEEKBERICHT WEEK 21


Aandacht voor godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs


Op de nieuwssite van CBOO-lidorganisatie HVO is onlangs het volgende bericht verschenen:


Onderzoek naar aandacht voor GVO en HVO bij schoolbesturen en ouders

Onder de titel “De context van G/HVO in het openbaar onderwijs” verscheen onlangs in de reeks Kortlopend Onderwijsonderzoek (KLOO) een studie over de stand van zaken met betrekking tot het levensbeschouwelijk vormingsonderwijs. Uitgever is het Kohnstamminstituut van de Universiteit van Amsterdam. Aanvragers waren het CBOO en de VOO, die zich respectievelijk richtten op de vraag in hoeverre schoolbesturen en ouders aandacht hebben voor deze door de wetgever gegeven mogelijkheid voor apart GVO/HVO. De onderzoekers hebben hun onderzoeksvragen daarop afgestemd.

Op heldere manier wordt de situatie geschetst aan de hand van een grote hoeveelheid feitelijke gegevens. Aan het slot van hun betoog komen Cissy Pater, Wiel Veugelers, Merlijn Karssen en Margaretha Vergeer tot een viertal conclusies en aanbevelingen, die kort weergegeven neerkomen op het volgende:


1.         Ouders hebben het recht om aan de openbare basisschool te vragen keuzevakken levensbeschouwelijke vorming aan te bieden. Vanuit het oogpunt van uitvoering van overheidsbeleid en vanuit een goede relatie school en ouders is een intensivering van de voorlichting over deze mogelijkheden wenselijk.

2.         De keuze voor een bepaalde invulling van levensbeschouwelijk onderwijs hangt sterk samen met de pedagogische visie van de school. Gezien het thema levensbeschouwelijke vorming is een dialoog tussen bestuur, schoolleider, docententeam en ouders wenselijk. Interessant is de vraag hoe docenten levensbeschouwelijke vorming hierbij worden betrokken.

3.         Levensbeschouwelijke vorming is geen kwestie van keuzevakken óf algemene levensbeschouwelijke vorming, maar van en-en. Zij kunnen elkaar vanuit hun specifieke invalshoek aanvullen.

4.         Het kiezen voor een van beide opties keuzevakken levensbeschouwing of algemene levensbeschouwing vraagt om een politiek debat en besluitvorming. Het raakt de relatie tussen onderwijs en levensbeschouwing en het karakter van het openbaar onderwijs.

Uitgave: Kohnstamm Instituut, Plantage Muidergracht 24, Postbus 94208, 1018 TV Amsterdam, tel. 020 – 5251226






Grasduinen op websites


Een rondgang op websites biedt soms heel aardige verrassingen, zoals het gegeven dat het Ministerie van OCW nog niet zo heel lang als apart departement bestaat. De website van MinOCW geeft over de laatste 2 eeuwen het korte, maar interessante verhaal over de wordingsgeschiedenis van MinOCW.


Omstreeks 1800, tijdens de overheersing door de Fransen, kreeg Nederland een centraal georganiseerde overheid. Het ministerie van Onderwijs dateert echter pas van 1918. Vóór die tijd was onderwijs een van de aandachtsgebieden van het ministerie van Binnenlandse Zaken. In 1798 kreeg ons land een Agentschap van Onderwijs met de zorg voor ‘Nationale Opvoeding, waaronder begrepen is de Geneeskundige Staatsregeling, de vorming der Nationale Zeden, en de bevordering van het openbaar Onderwijs, en van Kunsten en Wetenschappen’.

Met de Grondwet van 1917 kwam er een einde aan de ‘schoolstrijd’ tussen openbaar en bijzonder onderwijs: vanaf die tijd financiert de overheid zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs. Ook werd toen de oprichting van een eigen departement voor onderwijs nodig geacht (25 september 1918). De eerste minister van Onderwijs was J.Th. de Visser (van 1918-1922 en van 1922-1925). In diezelfde tijd is de Onderwijsraad in het leven geroepen als adviesorgaan (1919).

Het ministerie hield zich ook bezig met het overheidsbeleid op het gebied van kunst en wetenschap. Alleen in de periode 1965-1996 waren kunst en cultuur elders ondergebracht; in die periode hoorde cultuur bij overheidsdomeinen als recreatie, maatschappelijk werk en welzijn. Anno 2005 wordt niet meer gesproken over kunsten en wetenschappen, maar zijn de beleidsterreinen in de naam van het departement op één lijn gebracht: onderwijs, cultuur en wetenschap. Een overzicht van de bewindslieden op de terreinen onderwijs, cultuur (kunsten) en wetenschap(pen) vindt u op de website van  Parlement & Politiek.

In 1934 verscheen het eerste externe blad van het ministerie 'Mededelingen van OK&W'. In 1965 veranderde de naam in 'Uitleg'. Met 'O' (titel vanaf 2004) eindigde in 2007 een onafgebroken periode van 73 jaar extern blad.

Hoger onderwijs
Het hoger onderwijs in Nederland kent een lange traditie. De oudste universiteit is die van Leiden. De stad kreeg in 1575, als beloning voor het verzet tegen de Spanjaarden, toestemming van de Staten-Generaal om zo'n instelling op te richten. De jongste algemene universiteiten in ons land zijn de Universiteit Maastricht (1976) en de Open Universiteit in Heerlen (1984).

Hoger onderwijs was aanvankelijk alleen weggelegd voor mannen. Aletta Jacobs (1854-1929) was de eerste vrouw in Nederland die universitair onderwijs volgde, de eerste vrouw die arts werd én de eerste vrouw die promoveerde. De eerste vrouwelijke hoogleraar was Johanna Westerdijk (1883-1961). In 1917 werd zij (buitengewoon) hoogleraar fytopathologie in Utrecht.

Nederland kent inmiddels een binair stelsel voor hoger onderwijs. Naast het wetenschappelijk onderwijs is er een breed geschakeerd hoger beroepsonderwijs met een eigen oriëntatie op de arbeidsmarkt. Meerdere hbo-opleidingen zijn voortgekomen uit de beroepspraktijk. De oudste opleidingen zijn het kunstonderwijs en de lerarenopleidingen basisonderwijs. Het hbo heeft een grote bijdrage geleverd aan de emancipatie van vrouwen en van de 'kleine luiden'. De schaalvergrotingsoperatie vanaf 1980 was een belangrijk keerpunt voor het hbo en betekende dat de ongeveer 400 instellingen in etappes zijn samengegaan in de bijna 50 hogescholen die we nu kennen.

Voortgezet- en beroepsonderwijs
Aanvankelijk was het door de overheid geregelde onderwijs vooral een basisopleiding om te leren lezen, schrijven en rekenen. In de loop van de negentiende eeuw ontstond er steeds meer behoefte aan 'voortgezet' onderwijs als voorbereiding op een beroep. In 1863 kwam de Wet op het middelbaar onderwijs tot stand. Deze wet voorzag naast de hbs (hogere burgerschool voor handel en bedrijf) in landbouwscholen en de polytechnische school voor ingenieurs. In de twintigste eeuw kwamen er meer schoolsoorten voor voortgezet onderwijs en specifieke beroepsopleidingen bij. De beroepskolom kent nu drie fasen: het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en het hoger beroepsonderwijs (hbo).

Cultuur
Vanaf 1875 waren er (naast de afdeling onderwijs) aparte afdelingen voor kunsten en wetenschappen bij Binnenlandse Zaken. Voortrekker op dit gebied was jhr. Victor de Stuers, een ware pionier op cultuurgebied. Gedurende een deel van de twintigste eeuw waren de kunsten onderdeel van het ministerie van Onderwijs. Na een onderbreking van enkele decennia keerde dit onderdeel in 1994 terug. Het ministerie werd toen OCenW in plaats van OenW. Sinds de verhuizing naar De Hoftoren in 2003 heet het ministerie ‘OCW'.

 




'Mietjes moeten ze niet'

(persbericht EduDivers)


Dat was de provocerende titel waarmee EduDivers, kenniscentrum voor onderwijs en seksuele diversiteit, eind januari haar onderzoek naar homofobie en stereotype opvattingen over homoseksualiteit onder jongeren presenteerde. Vandaag komen het SCP en EenVandaag met cijfers over homo-acceptatie naar buiten en is de top over de internationale homo-emancipatie in Den Haag begonnen.

Het rapport van het SCP en het onderzoek van EenVandaag wijzen op een probleem met 'leren samenleven' met mensen die een andere seksuele identiteit hebben en dit ook willen uiten. Dit wordt onderstreept door bijvoorbeeld het lage cijfer over 'uit de kast kunnen komen'. Deze uitkomsten bevestigen de trend die EduDivers eerder in haar steekproef heeft waargenomen. Uit de rapporten die vandaag verschenen blijkt dat 50-80% van de jongeren zich onzeker voelt over twee zoenende jongens of twee zoenende meisjes of dat afwijst. Slechts 5% van de homo- of lesboleerlingen durft in het openbaar uit de kast te komen. 56% van de jongeren hebben hun gedrag wel eens aangepast om negatieve reacties op hun geaardheid te voorkomen. Peter Dankmeijer, directeur van EduDivers: "Bij dat laatste moeten we aan veel meer denken dan alleen aan zoenen in het openbaar. De opmerkingen van de scholieren maken glashelder dat afwijken van jongens- of meisjesachtig normgedrag tot grote weerstand leidt onder pubers. 'Mietjes' of ‘manwijven’ moeten ze niet."

Enkele opvallende uitkomsten van de steekproef van EduDivers:
Tweederde van de middelbare scholieren houdt afstand van homoseksuele medeleerlingen of voelt zich onzeker over contact met hen.
32% wil in de pauze niet naast een homoseksuele klasgenoot zitten.
Slechts een derde vindt homoseksualiteit “een natuurlijke seksuele oriëntatie”.

Aanpak
In reactie op de cijfers die het SCP en EenVandaag vanochtend brachten wordt door velen gepleit voor specifieke aandacht voor homo-acceptatie op scholen. Sinds december is voorlichting over seksuele diversiteit verplicht onderdeel van de kerndoelen geworden. Daarnaast is het Ministerie van OCW bezig met een plan om scholen te verplichten pesten gericht aan te pakken. Maar scholen hebben al een bomvol takenpakket en zijn terughoudend in het toevoegen van nog meer verplichtingen. Maar er is een aanpak waarmee 2 vliegen in 1 klap kunnen worden geslagen.

MijnID
EduDivers heeft samen met haar partners in de landelijke Onderwijsalliantie voor Seksuele Diversiteit de MijnID campagne ontwikkeld. MijnID staat voor ‘Mijn Identiteit’, een programma gericht op identiteitsontwikkeling bij kinderen en dan vooral de ontwikkeling van hun seksuele identiteit. Middels deze campagne worden op scholen MijnID-ambassadeurs geworven die zich sterk maken voor een veilig schoolklimaat met ruimte waarin ieder kind zichzelf kan zijn. Sociale vaardigheden ontwikkelen, van elkaar leren en je veilig voelen is onmogelijk in een intolerante omgeving. Dankmeijer: "Niet alleen ‘mietje’ of ‘pot’, maar ook ‘homo’ en ‘lesbo’ worden gebruikt om te schelden. Dat op zichzelf maakt ervoor uitkomen dat je homoseksueel bent tot een zeer beladen stap. En helemaal tijdens de puberteit, wanneer jongeren gierende hormonen hebben, onzeker zijn en vooral niet op willen vallen als ‘abnormaal’. Juist dan moet de school er alle energie insteken om te zorgen dat deze kinderen leren hoe ze hier respectvol en veilig mee omgaan. Want, als iedereen 'gedwongen' wordt om gemiddeld te zijn, is er uiteindelijk voor niemand ruimte om zijn of haar eigen identiteit te ontwikkelen."

'Jezelf zijn op school'
Op sommige plaatsen in het land draaien reeds pilot-projecten die gebaseerd zijn op de MijnID-aanpak. De campagne 'jezelf zijn op school in Leiden' is een speciaal op Leiden toegesneden programma voor veiligheid op school. Het heeft de veiligheid rondom sociale verschillen als insteek en seksuele diversiteit als focus. In dit kader wordt op 19 juni een MijnID Onderwijscafé gehouden bij het ROC Leiden, Bètaplein 18. Docenten, ouders en andere geïnteresseerden zijn van harte welkom om aanwezig te zijn. Aanmelden kan HIER.

Nog enkele andere cijfers uit het EduDivers onderzoek
15% vindt homoseksualiteit “een seksuele afwijking”.
Een derde van de leerlingen zegt dat homoseksualiteit niet algemeen acceptabel is.
22% stelt dat homo's en lesbiennes niet welkom zijn op school.
22% zegt dat openlijk homoseksuele leerlingen gepest zouden worden.
Een op de vijf zou geen vriendschap sluiten of huiswerk maken.

Homo’s zijn niet welkom in/op:
Thuis (40%)
Cafés en bars (37%)
Vriendengroep (33%)
Internet (31%)

Klik HIER voor het hele rapport.





NIEUWE MOGELIJKHEDEN         

Het CBOO bericht is niet alleen bron van nieuws, dat wordt aangeboden.

U kunt er zelf ook aan bijdragen door:

  • te reageren op meningen, die er in worden gegeven. Ze zullen mits niet buiten publicitaire orde worden geplaatst om de berichten ook als interactief medium te kunnen inzetten. Ze worden dan immers een forum voor discussie!
  • nieuws te plaatsen, dat behalve voor uw openbare school of daaraan verwante instelling interessant kan zijn voor lezers van CBOO berichten. Dat kan te maken hebben met positieve PR t.b.v. openbare scholen, tot het aankondigen van manifestaties die van belang zijn voor velen die in of voor het openbaar onderwijs werken.
  • oproepen te laten plaatsen voor acties, die met het openbaar onderwijs van doen hebben. Mogelijkheid daarbij is, dat het CBOO een intermediaire rol kan spelen bij het onder de aandacht brengen van het door u te berde gebrachte bij bijvoorbeeld lokale overheden, besturen openbaar onderwijs, maar ook landelijke politici. Die lezen voor zover het leden van de Vaste Kamercommissie Onderwijs van de Tweede Kamer (en ambtenaren van het Ministerie van OCW) betreft ook CBOO berichten.
  • voor voorgaande zaken en voor verdere inlichtingen te mailen met info@cboo.nl of te bellen 030 - 2989167 (buiten kantooruren wordt u doorgeschakeld naar mobiel nummer van CBOO secretaris M. Hietbrink).



CBOO-secretaris
M. Hietbrink is bereikbaar op:

030 - 298 91 67

mob: 06 - 539 744 37
email: info@cboo.nl of mhietbrink48@gmail.com