START        ORGANISATIE        WEEKBERICHTEN        LIDORGANISATIES        ACTUEEL        KLOO        SOO        LINKS        CONTACT


m
2008                2009                2010
                2011                2012                2013                2014               2015
m

week:
2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 11 - 12  - 13 - 14 - 16 - 20 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - 27 - 35 - 38 - 40 - 41 - 44 - 45 - 46 - 47 - 48 - 49 - 50 - 51



24 november 2014   
                      WEEKBERICHT WEEK 48



Geef de professional de ruimte


Deze uitspraak is voor de hand liggend en vloeit voort uit het resultaat van een CBOO-bestuursbespreking. Daar was dinsdag jl. de vraag aan de orde op welke manier enthousiasme en elan, maar ook medezeggenschap en het afleggen van verantwoordelijkheid het beste kunnen bijdragen aan goed openbaar onderwijs. Het bracht CBOO-voorzitter drs. Louis L. Jongejans namens het bestuur tot het volgende statement:


Nederland heeft een grote diversiteit van bestuursvormen in het onderwijs. Bovendien zijn er verschillen tussen bijzondere en openbare bestuursvormen. Zo kan een samenwerkingsschool geen openbare identiteit hebben. Het CBOO denkt hierover na en probeert al langere tijd een bijdrage te leveren aan bestuursvormen waar de lijn tussen werkveld en bestuur kort is waardoor de betrokkenheid van het werkveld vergroot wordt.

Als we kijken naar bestuursvormen is de stichtingsvorm veruit de meest voorkomende. Daarin zijn kleine stichtingen te vinden, met enkele locaties, en grotere besturen. De afdracht die scholen daaraan betalen is erg divers. Het geld wordt echter wel onttrokken uit de formatie van scholen, waardoor er minder middelen overblijven voor het werkveld. Het CBOO bepleit samen met het AOb ook de verenigingsvorm als mogelijke bestuursvorm voor het openbaar onderwijs. Het idee is daardoor de afstand te overbruggen tussen werkveld en beleidsmakers. Beide vormen hebben voor- en nadelen. Waar het los van de vorm om gaat is luisteren naar het werkveld en het beleid daarop afstemmen.

Zoals gezegd bepleit het CBOO korte lijnen tussen bestuur en klas. Waar docenten kunnen meedenken over beleid, neemt de betrokkenheid toe. Bovendien plaatst het de docenten in hun kracht doordat ze weten waarom de kaders waarbinnen zij werken zijn vastgesteld. Binnen die vastgestelde kaders, kunnen docenten samen met hun schoolleiding de invulling bepalen en zich daarna concentreren op de kern van het vak: kennis en vaardigheden overdragen op leerlingen. Zodra de schoolleider de mogelijkheid heeft meer onderwijskundig leider te worden, ontstaat vanzelf het gesprek over welke scholing nuttig kan zijn. Deze werkwijze heeft voor de kwaliteit van het onderwijs een positief effect.

Naarmate de afstand tussen werkveld en bestuur groter wordt, ziet het CBOO ook misstanden. Hier en daar zijn bestuursacademies ontstaan die een scholingsaanbod voor docenten bepalen. Op zich is dat niet verkeerd zolang het maatwerk van welke scholing een docent omwille van het werk in het aanbod terug te vinden is. Of dit beter gebeurt door dit centraal te regelen is echter de vraag. Lokaal zou dat ook goed kunnen omdat docenten vaak een eigen netwerk hebben waar zij scholing voor relevante ontwikkelingen  weten te vinden. Docenten zijn tenslotte professionals.

Om die reden vindt het CBOO de ontwikkeling van besturen die steeds groter worden zorgelijk. De schaalvergroting van de negentiger jaren heeft niet geleid tot de kwaliteitsverbetering en een grotere efficiency van het onderwijs. Het CBOO bepleit om die reden schaalverkleining. Dit zou (financieel) aantrekkelijker gemaakt moeten worden. Bovendien zou gekeken moeten worden welke afdracht reëel is. Dit is natuurlijk afhankelijk van wat er centraal voor een school geregeld wordt en wat de school zelf moet regelen. Ook hier geldt dat korte lijnen essentieel zijn.

Korte lijnen en overzichtelijke bestuursvormen vindt het CBOO een absolute noodzaak als het gaat om het verbeteren van het onderwijs. De democratische traditie die het openbaar onderwijs van huis uit heeft zou daardoor ook opnieuw gestalte gegeven kunnen worden. Onderzoek naar de mogelijkheden om dit te realiseren is volgens het CBOO een must.






Initiatiefwetsvoorstel SGP, D66 en CDA bakent taken Onderwijsinspectie scherper af


De onderwijsinspectie moet zich weer beperken tot de deugdelijkheidseisen waarop zij scholen wettelijk moet controleren. Onlangs werd bekend dat het initiatief wetsvoorstel hierover van TK-lid Bisschop (SGP) mede wordt ondertekend door D66 en CDA.

Inspectie gaat verder dan noodzakelijk
De wet stelt kwaliteitseisen aan het onderwijs, de Inspectie zorgt er vervolgens voor dat die geoperationaliseerd worden door een toezichtskader te formuleren. Dat leidt er nog wel eens toe dat de Inspectie in het toezicht verder gaat dan noodzakelijk, aldus Bisschop.

Een voorbeeld: de kleutertoets
De wettelijke deugdelijkheidseisen zijn bijvoorbeeld gekwalificeerd personeel, verplichte vakkenpakketten, voldoende lesuren. Maar tot vorig jaar stond ook de kleutertoets in het toezichtkader van de inspectie, terwijl die niet in de Wet op het onderwijstoezicht en in de sectorwetten stond. Tijdens het debat over de onderwijsbegroting van 2014 oordeelde de Kamer dat de Inspectie de kleutertoets uit haar toezichtkader moest schrappen.

Meer ruimte voor scholen
Bisschop zag dat er in het onderwijs onduidelijkheid is over de vrijheid die scholen precies hebben, en vindt dat de overheid de professionele ruimte van scholen beter moet bewaken. Daarvoor is nodig dat de taken van de Onderwijsinspectie scherper worden afgebakend. Vandaar dit initiatiefwetsvoorstel. Eind vorig jaar legde Bisschop zijn voorstel voor aan 22 onderwijsorganisaties. Het in initiatief wetsvoorstelvoorstel werd op 18 november in definitieve vorm ingediend.

Oordeel Raad van State
Het klinkt een beetje dubbel: het inspectietoezicht terugschroeven en daarvoor twee toezichtkaders gaan hanteren. Maar volgens de Raad van State wordt zo voorkomen dat de inspectie haar wettelijke boekje te buiten gaat. De Raad is positief over het initiatiefwetsvoorstel dat de taken van de onderwijsinspectie weer beperkt tot de deugdelijkheidseisen.

Onduidelijkheid
De Raad van State adviseerde positief over het Wetsvoorstel. Hij noemt het ‘een stap in de goede richting’ en er mag eigenlijk nog wel een tandje bij. “Als gevolg van de onduidelijkheid over het onderscheid tussen wettelijke deugdelijkheidseisen enerzijds en door de inspectie gehanteerde kwaliteitsaspecten anderzijds, zijn scholen onzeker over de eisen waaraan zij moeten voldoen. Ook kunnen zij zich onvoldoende verweren tegen de kwaliteitsoordelen van de inspectie”, schrijft de Raad in zijn advies.

Wat is ‘kwaliteit’
Volgens het wetsvoorstel moet de onderwijsinspectie niet meer doen dan het controleren van de naleving van de onderwijsvoorschriften en het bevorderen van de kwaliteit van het onderwijs. De Raad van State schrijft daarover dat het gevaar blijft bestaan dat het bevorderen van de kwaliteit wordt vermengd met het houden van toezicht. De term ‘kwaliteit’ is in zekere zin onbegrensd. Sommige kwaliteitsaspecten vallen (deels) onder de deugdelijkheidseisen, andere niet, schrijft de Raad. In het eerste geval hebben scholen zich eraan te houden, in het laatste geval “mist het toezichtkader juridisch bindende betekenis”.

Voor het gehele advies, klik HIER.

Twee kaders
TK-lid Bisschop heeft de tekst van het wetsvoorstel aangepast en het advies van de Raad van State overgenomen om de Onderwijsinspectie twee kaders te laten hanteren:
           één met het beleid, uitleg en toepassing van de wet
           één met indicatoren die de kwaliteit van het onderwijs kunnen verbeteren

Wettelijke eis en visie
Twee inspectiekaders dus. Dat klinkt verwarrend. Maar dat is het niet, zegt beleidsmedewerker Gijsbert Leertouwer van de SGP. “Eén document is de harde wettelijke eis. Het andere is de visie van de inspectie zelf. Voor scholen wordt het juist heel helder als je twee documenten krijgt. In het ene staat waar je echt aan moet voldoen en het andere is vrijblijvend.” Volgens het initiatiefwetsvoorstel komen er ook twee losse inspectierapporten, waarbij alleen dat wat de wettelijke eisen toetst, geldt. Het andere is voor de school zelf.


Opmerkingen van het CBOO

Het CBOO vindt het Wetsvoorstel zeer interessant. Met name ook, omdat de initiatiefnemers in hun Memorie van Toelichting op het wetsontwerp in de eerste alinea op blz. 3 onderkennen dat we in Nederland een organisatievorm van het onderwijs hebben waarin bij grotere besturen de afstand tot het werkveld ook wel eens belemmerend zou kunnen werken voor de kwaliteit van het onderwijs

Deze onderkenning ligt geheel in lijn met hetgeen CBOO-voorzitter Jongejans in zijn uitspraak in het eerste onderwerp van dit bericht hierover zegt.

Daarnaast waardeert het CBOO het dat de initiatiefnemers van het Wetsvoorstel in de eerste alinea van het Wetsvoorstel oog hebben voor de bijzondere positie van het openbaar onderwijs en daar behartigenswaardige dingen over zeggen.

Overigens is het lezen van het stuk onder 2 (Achtergrond en ontwikkeling wettelijk Onderwijstoezicht – blz. 2 t/m 5) zeer de moeite waard hoe de rol van de inspectie in de loop der tijden is veranderd en welke factoren daarbij een rol hebben gespeeld.






MinOCW start internetconsultatie over de samenwerkingsschool


Het onderwerp van de consultatie is de vereenvoudiging van de wettelijke regeling van de samenwerkingsschool. Een samenwerkingsschool is een school waarin zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs gegeven wordt. Sinds 2011 is het wettelijk toegestaan om een samenwerkingsschool te vormen. Hier is echter nauwelijks gebruik van gemaakt, terwijl de samenwerkingsschool een oplossing kan bieden in gebieden met leerlingendaling.

Doel van de regeling
De huidige regeling is te ingewikkeld. Daarom worden nu samenwerkingsscholen buiten de wettelijke regeling gevormd (informele samenwerkingsscholen). Het wetsvoorstel heeft tot doel de vorming van een samenwerkingsschool te vereenvoudigen. Echter de samenwerkingsschool moet wel een uitzondering blijven, in verband met het grondwettelijke verankerde onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het wetsvoorstel bevat dan ook voorstellen om:

- De voorwaarden voor de totstandkoming van een samenwerkingsschool opnieuw vorm te geven.

- Waarborgen te bieden voor gelijkwaardigheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

- Aan te sluiten bij de praktijk die de samenwerkingsschool zoveel mogelijk regelt op het schoolniveau.


Doelgroepen die door de regeling worden geraakt

Schoolbesturen in het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het speciaal onderwijs. Ouders en leerlingen. (noot CBOO: Docenten worden in dit verband niet genoemd. Curieus, aangezien zij vorm moeten geven aan de wenselijk geachte samenwerkingsgedachte binnen 1 school!)

Verwachte effecten van de regeling
Het wetsvoorstel maakt het vormen van een formele samenwerkingsschool aantrekkelijker voor scholen die er nu voor kiezen om wel als samenwerkingsschool te opereren, maar hier geen formele waarborgen voor bieden. Het voorstel biedt daarmee meer ruimte voor scholen om leerlingendaling het hoofd te bieden en ook meer rechtszekerheid voor ouders. Zo kan in dorpen en wijken waar nu nog voldoende leerlingen zijn om scholen van openbaar en bijzonder onderwijs in stand te houden, bij afname van het aantal leerlingen een samenwerkingsschool worden gevormd. Dat komt de denominatieve diversiteit ten goede.

Doel van de consultatie
Het doel van de consultatie is om reacties van belanghebbenden te verkrijgen op de voorgenomen wetgeving ten aanzien de vereenvoudiging van de vorming van samenwerkingsscholen. De toelichting sluit af met de vragen die in de consultatie aan de orde zijn. Die kunt u invullen en retourneren naar MinOCW.

Het CBOO is echter zeer geïnteresseerd in de 3e vraag en daarvan het 2e gedeelte:
"Biedt de voorgestelde wetswijziging voldoende garanties voor ouders met kinderen op samenwerkingsscholen dat de identiteit van het bijzonder onderwijs en het openbare karakter van het onderwijs overeind blijven?"

Het CBOO heeft daaromtrent in CBOO-bericht week 46 op blz. 2,  3 en 4 van zijn visie inzake de samenwerkingsschool duidelijk aangegeven hoe het tegen het fenomeen samenwerkingsschool aankijkt. Graag ontvangt de redactie van CBOO-weekberichten uw reactie t.a.v. vraag 3 in de consultatie van MinOCW om te peilen in hoeverre in (openbare) onderwijskring de CBOO-visie wordt gedeeld (info@cboo.nl).






Tweetalig onderwijs: al 25 jaar succesvolle onderwijsvernieuwing

(persbericht Europees Platform)


Op een school voor voortgezet onderwijs in Hilversum ontstond 25 jaar geleden het idee voor tweetalig onderwijs. Het tweetalig onderwijs, met de meeste zaakvakken in het Engels plus extra aandacht voor internationaal contact tussen scholen en leerlingen, is anno 2014 uitgegroeid tot een zeer succesvolle onderwijsvernieuwing.

Het landelijk netwerk tweetalig onderwijs telt nu 130 scholen met 190 afdelingen. In het begin ging het om vwo-afdelingen, later sloten zich ook havo- en vmbo-afdelingen bij dit netwerk aan. Ook kwalitatief groeide het tweetalig onderwijs (tto) uit tot onderwijs dat voor circa 30.000 leerlingen een verrijking is. Het biedt een bredere basis om het vervolgonderwijs met succes te doorlopen. De uitstekende beheersing van het Engels en de internationale oriëntatie vormen een meerwaarde voor het leven.

Lees HIER verder.




NIEUWE MOGELIJKHEDEN         

Het CBOO bericht is niet alleen bron van nieuws, dat wordt aangeboden.

U kunt er zelf ook aan bijdragen door:

  • te reageren op meningen, die er in worden gegeven. Ze zullen mits niet buiten publicitaire orde worden geplaatst om de berichten ook als interactief medium te kunnen inzetten. Ze worden dan immers een forum voor discussie!
  • nieuws te plaatsen, dat behalve voor uw openbare school of daaraan verwante instelling interessant kan zijn voor lezers van CBOO berichten. Dat kan te maken hebben met positieve PR t.b.v. openbare scholen, tot het aankondigen van manifestaties die van belang zijn voor velen die in of voor het openbaar onderwijs werken.
  • oproepen te laten plaatsen voor acties, die met het openbaar onderwijs van doen hebben. Mogelijkheid daarbij is, dat het CBOO een intermediaire rol kan spelen bij het onder de aandacht brengen van het door u te berde gebrachte bij bijvoorbeeld lokale overheden, besturen openbaar onderwijs, maar ook landelijke politici. Die lezen voor zover het leden van de Vaste Kamercommissie Onderwijs van de Tweede Kamer (en ambtenaren van het Ministerie van OCW) betreft ook CBOO berichten.
  • voor voorgaande zaken en voor verdere inlichtingen te mailen met info@cboo.nl of te bellen 030 - 2989167 (buiten kantooruren wordt u doorgeschakeld naar mobiel nummer van CBOO secretaris M. Hietbrink).



CBOO-secretaris
M. Hietbrink is bereikbaar op:

030 - 298 91 67

mob: 06 - 539 744 37
email: info@cboo.nl of mhietbrink48@gmail.com