START        ORGANISATIE        WEEKBERICHTEN        LIDORGANISATIES        ACTUEEL        KLOO        SOO        LINKS        CONTACT


m
2008              2009              2010
              2011              2012              2013              2014             2015             2016
m

week:
2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 17 - 18 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - 26 - 27 - 36 - 39 - 40 - 42 - 45 - 46 - 47 - 48 - 49 - 50 - 51



22 april 2015      
                        WEEKBERICHT WEEK 17

Tijd voor een nieuwe beleidsagenda openbaar onderwijs


Eerdere beleidsagenda

Op 21 mei 2009 stuurde de toenmalige staatssecretaris van OCW een brief naar de Tweede Kamer waarin een beleidsagenda werd gepresenteerd die gericht was op de versterking van de positie van het openbaar onderwijs in met name het primair onderwijs (kamerstuk 31 293, nr. 112). Deze beleidsbrief kwam niet uit de lucht vallen gezien allerlei ontwikkelingen rond met name de verzelfstandiging van het openbaar onderwijs, waaronder de positie van de openbare scholen binnen samenwerkingsbesturen.

De brief opent met een schets van de wijze waarop naar het onderwijs vanuit artikel 23 van de Grondwet wordt gekeken: Een gelijkwaardig twee stromenland van openbaar en bijzonder onderwijs. In de woorden van de regering: “Kenmerkend voor het Nederlandse onderwijsbestel is de vrijheid van onderwijs. Ouders mogen zelf kiezen of hun kind openbaar of bijzonder onderwijs volgt. Openbare en bijzondere scholen bestaan naast elkaar en worden beide door de overheid bekostigd. Zo is sprake van een duaal onderwijsbestel. Een netwerk van openbare scholen geeft invulling aan de plicht van de overheid om te voorzien in onderwijs dat toegankelijk is voor alle kinderen, zonder onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing. Daarnaast kunnen ouders of maatschappelijke instanties scholen stichten, bijvoorbeeld vanuit een religieuze of levensbeschouwelijke opvatting, die net als de openbare scholen door de overheid worden bekostigd. Zo is er vrijheid tot het geven van onderwijs én er is de garantie dat de overheid altijd zal zorgen voor voldoende aanbod van openbaar onderwijs. Het openbaar en het bijzonder onderwijs vullen elkaar in die zin aan. De vrijheid van onderwijs in combinatie met de garantie van het aanbod door de overheid is een belangrijke verworvenheid van ons onderwijsbestel. Daarom wil de overheid zorgen dat het duale stelsel ook in de toekomst blijft bestaan. De uitgangspunten van het bestel zijn vastgelegd in de Grondwet.”

In de brief presenteerde de staatssecretaris een overzicht van de acties die haar voor ogen stond om de bevoegdheden van het verzelfstandigd openbaar schoolbestuur het primair onderwijs te herwaarderen, zonder dat dit ten koste zou gaan van de invloed van de overheid op de openbare school. Het betrof de volgende vier thema’s:


1   -   verzelfstandiging

Een belangrijk motief voor verzelfstandiging van het openbaar onderwijs is de wens om de verantwoordelijkheid van de gemeente als lokale overheid voor alle scholen én als bestuur van het openbaar onderwijs te scheiden. Ook het vergroten van de autonomie van openbare scholen is een belangrijke reden. Ondanks de verzelfstandiging blijft de gemeente verantwoordelijk voor het toezicht op de openbare scholen op haar grondgebied. De staatssecretaris vond dat er een analyse van de huidige instrumenten in wet- en regelgeving moest komen. Vervolgens zou worden onderzocht hoe gemeente en schoolbesturen invulling gaven aan de rol van de gemeente bij verzelfstandiging. De analyse zou echter breder getrokken moeten worden dan de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen gemeente en zelfstandig bestuur.  Ook moesten de wettelijke regelingen onder de loupe worden genomen op het punt van het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Daar waar nodig zouden de regelingen worden geharmoniseerd en de onwenselijke verschillen tussen openbaar en bijzonder onderwijs worden weggenomen. De analyse was in 2010 te verwachten. 


2   -   stichting scholen

Een belangrijke harmonisatie tussen openbaar en bijzonder onderwijs binnen het duale stelsel betrof de stichting van nieuwe scholen in het primair onderwijs. In de wet was geregeld dat alleen het college van B&W een verzoek mocht doen om één of meerdere openbare scholen op te nemen op het plan van nieuwe scholen. De organisaties voor het openbaar onderwijs wilden uitbreiding van deze bevoegdheid voor de zelfstandige besturen. Zelfstandige besturen van openbaar onderwijs konden dan net als besturen in het bijzonder onderwijs het initiatief nemen tot stichting van een school. Verder zouden ouders in navolging van het voortgezet onderwijs een instrument in handen moeten krijgen waarmee ze rechtstreeks actie konden ondernemen om een openbare school in het leven te roepen. Daarnaast vond de staatssecretaris het van belang om onderzoek te doen naar de effectiviteit van de huidige prognosemethode voor het meten van de belangstelling voor scholen van een bepaalde richting of voor openbaar onderwijs. Met andere woorden, moest niet de voorkeur worden gegeven aan de methode van directe meting? In dit verband speelt ook de kwestie van de positie van de openbare school bij de eerste inrichting van nieuwbouwgebieden of -wijken. 


3   -   samenwerking

De staatssecretaris wees er in de brief op dat ten gevolge van de verwachte leerlingendaling in sommige gebieden het vaker zal voorkomen dat de bevolking is aangewezen op één school. Dat een dergelijke school algemeen toegankelijk moet zijn, is in de wet geregeld. Dat kan een openbare school zijn, maar dat hoeft niet altijd. Het kan zijn dat een openbare school door de dalende leerlingenaantallen niet langer bestaansrecht heeft, terwijl een bijzondere school nog wel levensvatbaar is. In zulke gevallen moet het mogelijk zijn op de bijzondere school ook te voorzien in openbaar onderwijs. Ook het omgekeerde is natuurlijk mogelijk, namelijk dat de openbare school ook voorziet in vormen van bijzonder onderwijs. Aan de orde is hier de figuur van de samenwerkingsschool. Nauw hiermee in verband staat de constructie van het samenwerkingsbestuur, die zowel een openbare als een bijzondere school in stand houdt. Uitgangspunt daarbij is volgens de beleidsbrief dat terughoudend moet worden omgegaan met vermenging van openbaar en bijzonder onderwijs. Dualiteit van het onderwijsbestel is leidend bij de keuzes die gemaakt worden.


4   -   bestuursvormen

De wet kent voor de verzelfstandiging van het openbaar onderwijs verschillende bestuursvormen. Een aantal van deze bestuursvormen wordt in de praktijk echter amper gebruikt. De vraag was of rechtsvormen die nauwelijks of niet in de rechtspraktijk werden gebruikt niet beter uit de wet konden worden gehaald. Aan de andere kant hadden AOb/AVMO en CBOO gevraagd om de introductie van de rechtsvorm «vereniging» te onderzoeken. Zij menen dat ouders en leerkrachten in een vereniging – zoals het bijzonder onderwijs deze kent – beter in positie gebracht konden worden binnen de school, zonder dat daarbij de invloed van de overheid in het geding zou komen. Aangekondigd werd op korte termijn met voorstellen te komen.


Actualisering eerdere beleidsagenda

De discussie in de Tweede Kamer op basis van een beleidsagenda openbaar onderwijs is na 2012 gestopt. En dat niet alleen. Op de hierboven genoemde vier onderwerpen zijn tot nu toe maar beperkte resultaten geboekt en van een beleidsagenda – in het overleg tussen Tweede Kamer en kabinet – is helemaal geen sprake meer. Een belangrijk resultaat was een wettelijke regeling die zowel een verzelfstandigd schoolbestuur als de ouders in het primair onderwijs beter in positie brengen voor het stichten van een nieuwe openbare school (Staatsblad 2013, 385). Aan de andere kant kwam de toegezegde verkenning van bestuursvormen er niet en bleef er discussie over de (globale) wettelijke regeling van het samenwerkingsbestuur, het toezicht van het gemeentebestuur en de wettelijke regeling van de samenwerkingsschool. Voor de AOb/AVMO was vooral ook teleurstellend de wijze waarop de voormalige minister de discussie afsloot over de vereniging als nieuwe bestuursvorm voor openbaar onderwijs. Dit ondanks het draagvlag hiervoor en een inmiddels in opdracht van AOb/AVMO opgestelde tekst en toelichting voor een wettelijke regeling.

Het CBOO-bestuur is van mening dat het de hoogste tijd is dat er in het overleg tussen Tweede Kamer en kabinet weer een beleidsagenda openbaar onderwijs komt en dat de oorspronkelijke agenda uit de periode 2009 - 2012 wordt geactualiseerd. Deze actualisatie moet in de ogen van het CBOO aan de hand van de volgende actuele thema’s plaatsvinden:


1   -   De krimp in het primair en voortgezet onderwijs. Dit is een zeer actueel onderwerp.

2   -   De tendens van de stichting voor openbaar onderwijs om zich los te maken van de gemeenteraad.

3   -   Samenwerkingsbestuur

4   -   Wetsvoorstel samenwerkingsschool

5   -   Positie van de ouders. De centrale vraag is hoe de positie van ouders versterkt kan worden bij het stichten en in          stand houden van openbare scholen.


Op 2 april 2015 vond de door het CBOO georganiseerde expertmeeting plaats waar de genoemde thema’s uitvoerig zijn besproken. Behalve het DB/CBOO waren aanwezig de onderwijsjuristen prof. mr. D. Mentink, prof. mr. P.W.A. Huisman, mr. F.H.J.G. Brekelmans, prof. dr. J.F.A. Braster (onderwijssocioloog), alsmede mr. N. Ph. Geelkerken, bij het openbaar onderwijs betrokken als ondermeer bestuursvoorzitter van BOOR/Rotterdam. Het gesprek werd geleid door de heer Mentink.

Gewerkt werd in de richting van een urgentielijst van onderwerpen voor het openbaar onderwijs. Het is aldus de aanwezige deskundigen aan het CBOO-bestuur om daar vervolgens een prioriteit in vast te stellen. Voor de aanwezige CBOO-bestuurders was in de gedachtewisseling essentieel om goed te luisteren en vast te stellen welke eigen prioriteiten volgens de aanwezige deskundigen haalbaar zijn om onder de aandacht van de politiek en relevante maatschappelijke organisaties te brengen.

Het gesprek met de onderwijsjuristen leverde voor het DB/CBOO een paar interessante constateringen en adviezen op, waarvan hier enkele volgen:


1   -   Rol en positie openbaar onderwijs. Het openbaar onderwijs is van en voor iedereen en ingebed in de samenleving. Het uitgangspunt dient dan ook te zijn dat de openbare stichting verantwoording dient af te leggen aan de gemeenteraad, onder meer op onderwijskundig en financieel terrein. De gemeentebesturen dragen de eindverantwoordelijkheid voor verzelfstandigd bestuur. Dit gebeurt in veel de gemeenten niet. Daar moet verandering in komen. De discussie over openbaar onderwijs hoort in de gemeenteraad thuis, want openbaar onderwijs is een publieke aangelegenheid. Volledige openbaarheid van verzelfstandigd openbaar onderwijsbestuur moet een verplichting zijn, niet alleen voor verzelfstandigde openbare onderwijsbesturen, maar ook de beoordeling van het beleid van schoolbesturen door de gemeenteraden.

2   -   In dit verband is het de vraag of de wetgever, die in 2010 voor het verzelfstandigd openbaar onderwijs het Raad van Toezicht-model mogelijk maakte, niet over het hoofd heeft gezien dat de gemeente financieel wel verantwoordelijk blijft. In geval er een Raad van Toezicht is ingesteld, leidt dit ertoe dat de gemeente geen invloed heeft op de vaststelling van de begroting, maar wel alle financiële risico’s draagt als het fout gaat.

3   -   De (grond)wetgever heeft in artikel 23 van de Grondwet het primaat gelegd bij het openbaar onderwijs. De vraag is of in krimpgebieden dan wel gekozen moet worden voor samenwerkingsscholen. Moet er gelet op de in de grondwet neergelegde garantiefunctie voor het openbaar onderwijs niet in de eerste plaats juist gekozen worden voor een versterking van de kleine openbare school, waarbij valt te denken aan de stichtings- en opheffingsnormen, de afstand waarbinnen een openbare basisschool wordt opgeheven ofwel de samenwerking tussen met opheffing bedreigde openbare basisscholen in meerdere gemeenten binnen één bestuurlijk verband.

4   -   De door de AOb (Groep Openbaar Onderwijs) gepubliceerde tekst voor een wetsvoorstel “De Vereniging als bestuursvorm in het openbaar onderwijs”, is destijds met enkele politieke partijen besproken. Eén van deze partijen zegde toe het onderwerp over te nemen. Bij die toezegging is het gebleven. Het wetsvoorstel dient opnieuw met de politiek te worden besproken. Het wetsvoorstel wordt ook door het CBOO uitgesproken ondersteund. De Vereniging voor Openbaar Onderwijs (VOO) heeft er geen bezwaar tegen, maar wil wel nader onderzoek ten aanzien van de haalbaarheid.

Aan het slot van de bijeenkomst stelde de deskundigen vast, dat er door het CBOO veel huiswerk gedaan moet worden, waarbij onder meer aan het volgende gedacht moet worden:


a   -   Allereerst het helder formuleren van enkele prioriteiten. Het is onmogelijk om alle prioriteiten gelijktijdig uit te werken. Deze prioriteiten worden gesteld tijdens de algemene bestuursvergadering van 9 juni aanstaande.

b   -   Vervolgens dienen deze uitgewerkte prioriteiten (beleidsstandpunten CBOO) naar buiten te worden gebracht. Overleg daarover is nodig met de VNG, politieke partijen en maatschappelijke organisaties. In dit verband kan ook worden gedacht aan het organiseren van een conferentie met de VNG, betrokken schoolbestuurders, vakbonden en OCW. Tijdens deze conferentie worden de uitgewerkte prioriteiten besproken. De resultaten van de conferentie zullen ongetwijfeld leiden tot het aanpassen van de uitgewerkte prioriteiten.

De bedoeling van het vorenstaande moet ertoe leiden dat het openbaar onderwijs als “primaat”  voorziening (garantiefunctie openbaar onderwijs) voor het funderend onderwijs weer op de kaart wordt gezet.

Via CBOO-berichten wordt u over de gekozen prioriteiten op 9 juni en de invulling hiervan voortdurend op de hoogte gehouden.

 



NIEUWE MOGELIJKHEDEN         

Het CBOO bericht is niet alleen bron van nieuws, dat wordt aangeboden.

U kunt er zelf ook aan bijdragen door:

  • te reageren op meningen, die er in worden gegeven. Ze zullen mits niet buiten publicitaire orde worden geplaatst om de berichten ook als interactief medium te kunnen inzetten. Ze worden dan immers een forum voor discussie!
  • nieuws te plaatsen, dat behalve voor uw openbare school of daaraan verwante instelling interessant kan zijn voor lezers van CBOO berichten. Dat kan te maken hebben met positieve PR t.b.v. openbare scholen, tot het aankondigen van manifestaties die van belang zijn voor velen die in of voor het openbaar onderwijs werken.
  • oproepen te laten plaatsen voor acties, die met het openbaar onderwijs van doen hebben. Mogelijkheid daarbij is, dat het CBOO een intermediaire rol kan spelen bij het onder de aandacht brengen van het door u te berde gebrachte bij bijvoorbeeld lokale overheden, besturen openbaar onderwijs, maar ook landelijke politici. Die lezen voor zover het leden van de Vaste Kamercommissie Onderwijs van de Tweede Kamer (en ambtenaren van het Ministerie van OCW) betreft ook CBOO berichten.
  • voor voorgaande zaken en voor verdere inlichtingen te mailen met info@cboo.nl of te bellen 030 - 2989167 (buiten kantooruren wordt u doorgeschakeld naar mobiel nummer van CBOO secretaris M. Hietbrink).



LET OP!!!! NIEUW PRIVE-EMAILADRES!!   CBOO-secretaris M. Hietbrink is bereikbaar op:

030 - 298 91 67

mob: 06 - 539 744 37
email: info@cboo.nl of mhietbrink1948@gmail.com