START        ORGANISATIE        WEEKBERICHTEN        LIDORGANISATIES        ACTUEEL        KLOO        SOO        LINKS        CONTACT


m
2008              2009              2010
              2011              2012              2013              2014             2015             2016
m

week:
2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 17 - 18 - 21 - 22 - 23 - 24 - 25 - 26 - 27 - 36 - 39 - 40 - 42 - 45 - 46 - 47 - 48 - 49 - 50 - 51



27 mei 2015      
                        WEEKBERICHT WEEK 22


Het fenomeen samenwerkingsschool in "krimpgebieden"


In CBOO-bericht week 17 werd in een ‘special’ aandacht besteed aan de beleidsagenda openbaar onderwijs. Het CBOO-bestuur sprak op 2 april jl. hierover met een aantal onderwijsjuristen. Desgevraagd merkten de deskundigen m.b.t. de samenwerkingsschool ondermeer het volgende op:

"De (grond)wetgever heeft in artikel 23 van de Grondwet het primaat gelegd bij het openbaar onderwijs. De vraag is of in krimpgebieden dan wel gekozen moet worden voor samenwerkingsscholen. Moet er gelet op de in de grondwet neergelegde garantiefunctie voor het openbaar onderwijs niet in de eerste plaats juist gekozen worden voor een versterking van de kleine openbare school, waarbij valt te denken aan de stichtings- en opheffingsnormen, de afstand waarbinnen een openbare basisschool wordt opgeheven ofwel de samenwerking tussen met opheffing bedreigde openbare basisscholen in meerdere gemeenten binnen één bestuurlijk verband."

Bijna 3 weken later kwam de Onderwijsraad op 22 april met een uitvoerig advies, waarvan de kern het volgende is:


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wetsvoorstel samenwerkingsscholen

De Onderwijsraad brengt advies uit over het wetsvoorstel in verband met de vereenvoudiging van de vorming van samenwerkingsscholen. Hoewel de raad onderschrijft dat in krimpgebieden een samenwerkingsschool een goede manier kan zijn om een gevarieerd onderwijsaanbod overeind te houden, is hij kritisch over het wetsvoorstel en adviseert om het te heroverwegen en op een aantal punten aan te passen om zowel het openbaar onderwijs als het bijzonder onderwijs recht te doen.

De staatssecretaris van OCW heeft op 13 februari 2015 de Onderwijsraad verzocht om een advies uit te brengen over het voorstel van wet tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met de vereenvoudiging van de vorming van samenwerkingsscholen. Bij een samenwerkingsschool gaat het in het wetsvoorstel om een school waarbinnen zowel openbaar als bijzonder onderwijs verzorgd worden. Een uitgebreide beschrijving van het wetsvoorstel van de staatssecretaris vindt u in het advies van de raad (pagina 2-7).

Uitgangspunten van de Onderwijsraad
Omdat het hier om een wetsvoorstel gaat, gaat de raad in zijn advies uit van het huidige constitutionele kader van artikel 23 van de Grondwet. De Grondwet kent een stelsel met twee onderscheiden vormen van onderwijs: openbaar en bijzonder. Een school waarbinnen beide vormen verzorgd worden, is volgens de Grondwet als uitzondering mogelijk. De vragen zijn daarom: Respecteert de voorgestelde regeling het duale stelsel voldoende, in die zin dat de samenwerkingsschool een uitzonderingsvariant blijft? Is binnen de onderscheiden bestuursvormen de gelijkwaardigheid van beide typen onderwijs voldoende gewaarborgd en kunnen beide typen onderwijs in de onderscheiden vormen voldoende tot hun recht komen? Voor het openbaar onderwijs geldt specifiek de vraag of er steeds sprake is van overheersende overheidsinvloed.

De raad waardeert het dat de staatssecretaris maatregelen neemt om de kwaliteit en pluriformiteit van het onderwijs in krimpgebieden te verzekeren. Samenwerkingsscholen bieden de mogelijkheid om een aanbod van zowel openbaar als bijzonder onderwijs te handhaven. De raad is het met de staatssecretaris eens dat het wenselijk is om de vorming van samenwerkingsscholen in krimpgebieden makkelijker te maken. Zo vindt de raad het een goed idee om niet meer te werken met een verplichte overdracht van de fuserende scholen aan een derde rechtspersoon. Ook vindt de raad het een goed idee om niet meer te werken met extern toezicht vanuit een rechtspersoon voor bijzonder onderwijs op de identiteit van het bijzonder onderwijs binnen een samenwerkingsschool. De wetgever dient echter binnen de kaders van de Grondwet te blijven en oog te houden voor effecten in de praktijk. Met de genoemde bezwaren geeft de raad aan dat dit volgens hem bij het voorliggende wetsvoorstel onvoldoende gebeurt.

De raad wijst er ook op dat er alternatieven zijn voor het waarborgen van een gevarieerd onderwijsaanbod in gebieden die kampen met leerlingendaling, zoals regionale afstemming van het aanbod tussen scholen. De raad heeft daartoe eerder – in het advies Grenzen aan kleine scholen (2013) – voorstellen gedaan.

De empirische noodzaak van het wetsvoorstel zou volgens de raad nader onderbouwd moeten worden
Volgens de raad kan informele samenwerking in de praktijk werkbaar en acceptabel zijn. Het inperken van deze andere vormen van samenwerking is alleen aan de orde als er objectieve bezwaren bestaan. De raad ziet graag dat de staatssecretaris beter aangeeft welke bezwaren er tegen de bestaande praktijk van informele samenwerking bestaan.

Een belangrijk argument van de staatssecretaris is dat er nu nauwelijks formele samenwerkingsscholen ontstaan omdat de huidige regeling te complex is. De raad herkent dat. Maar tegelijkertijd zou de raad graag zien dat preciezer aangegeven wordt op welke punten de bestaande regeling te complex en te beperkend is voor scholen en dat andere redenen om van de vorming van een samenwerkingsschool af te zien, in kaart gebracht worden. Ook ziet de raad graag dat de staatssecretaris beter aantoont dat scholen die willen samenwerken, onder de voorgestelde regeling wel voor een formele samenwerkingsschool zullen kiezen. De raad is er niet van overtuigd dat het inruilen van het ene model van bestuurlijke inrichting door een ander model in de praktijk echt verschil zal maken. In beide modellen worden genoemde knelpunten niet voldoende opgelost.

Samenwerkingsschool in krimpgebieden wel eerder mogelijk maken, maar samenwerkingsschool is met het voorgestelde continuïteitscriterium geen uitzondering meer
De raad onderschrijft dat het voor het eenvoudiger maken van de vorming van samenwerkingsscholen in krimpgebieden goed is om niet meer te werken met een leerling-prognose voor de komende zes jaar en om in die gebieden een continuïteitscriterium aan te houden dat boven de opheffingsnorm ligt.

De voorgestelde regeling geldt echter voor het hele land en de opheffingsnorm verschilt in het primair onderwijs per gemeente; van 23 leerlingen in dunbevolkte gebieden tot maximaal 200 in de grote steden. In het primair onderwijs vallen erg veel scholen binnen het continuïteitscriterium (circa 40%), waarbij het vaak om relatief grote scholen gaat. Een consequentie van de norm is bovendien dat juist in dichtbevolkte gebieden scholen eerder binnen de norm vallen. Volgens de voorgestelde regeling zou in Bellingwedde of Sluis een samenwerkingsschool niet gevormd mogen worden als de kleinste school 86 leerlingen heeft (in krimpgebieden zijn veel scholen overigens kleiner), terwijl het in Den Haag wel zou mogen als de kleinste school 259 leerlingen heeft.

Wat de totstandkoming van samenwerkingsscholen betreft, is de raad dan ook van mening dat in het primair onderwijs van een uitzonderingsvariant geen sprake meer zou zijn. Met name buiten krimpgebieden wordt de samenwerkingsschool gelet op de grondwettelijke begrenzing te ruim mogelijk. De raad adviseert het voorgestelde criterium zodanig te herzien dat het uitzonderingskarakter van de samenwerkingsschool overeind blijft en daarbij verschil te maken naar bevolkingsdichtheid.

Loslaten fusietoets heroverwegen
De raad adviseert het loslaten van de fusietoets te heroverwegen. De fusietoets is bedoeld om doorgeschoten schaalvergroting tegen te gaan en zo de menselijke maat en variëteit in het onderwijs te behouden. Daarbij geldt een toetsingsdrempel. In het primair onderwijs is een fusietoets bij het samengaan van scholen bijvoorbeeld pas verplicht als de fuserende scholen samen 500 of meer leerlingen hebben (bij een samengaan van besturen is een fusietoets pas aan de orde als het om 10 of meer scholen gaat). Daarmee is voor een situatie waarin in een krimpgebied een samenwerkingsschool gevormd moet worden om een gevarieerd onderwijsaanbod overeind te houden, een fusietoets sowieso al niet of nauwelijks aan de orde, terwijl zo’n toets in andere situaties een nuttige drempel tegen de vorming van te grote scholen is.

Enkele bezwaren tegen de voorgestelde bestuurlijke inrichting
Wat de voorgestelde bestuurlijke inrichting van de samenwerkingsschool betreft, heeft de raad verscheidene bezwaren.

- De instandhouding van een samenwerkingsschool door een stichting voor openbaar onderwijs past volgens de raad niet in het kader van de Grondwet en is niet in overeenstemming met het principe van de neutraliteit van de overheid. De raad adviseert daarom deze bestuursvorm niet mogelijk te maken.

- Daarnaast is de raad van mening dat de overheersende overheidsinvloed op het openbaar onderwijs bij een privaatrechtelijke stichting als bevoegd gezag wettelijk beter gewaarborgd moet worden, zodat het openbaar onderwijs binnen zo’n bestuur tot zijn recht kan komen.

- De raad adviseert bovendien af te zien van het verplichten van een identiteitscommissie op schoolniveau. Volgens de raad kan de bestuurlijke inrichting van een samenwerkingsschool op verschillende manieren ingericht worden waarbij toch steeds sprake is van gelijkwaardigheid van beide typen onderwijs en beide typen onderwijs voldoende tot hun recht kunnen komen. Er kan bijvoorbeeld ook gekozen worden om het via de raad van toezicht of toch via het schoolbestuur te regelen. De raad vindt dat fuserende scholen hier zelf keuzevrijheid in moeten hebben. De raad adviseert daarom om niet één bepaalde vorm wettelijk voor te schrijven, maar in de wet kaders op te nemen waarbinnen scholen zelf keuzes over de bestuurlijke inrichting van een samenwerkingsschool kunnen maken.

- Het via de statuten overdragen van bestuursbevoegdheden aan een identiteitscommissie in de voorgestelde vorm staat volgens de raad haaks op de bestuurlijke verhoudingen binnen het onderwijs.

- De positie van de voorgestelde identiteitscommissie bijvoorbeeld ten opzichte van de medezeggenschapsraad, de schoolleiding en het schoolbestuur is volgens de raad onduidelijk en doet onvoldoende recht aan de positie van het bevoegd gezag. Dat kan in de praktijk tot onwerkbare situaties leiden. Als een identiteitscommissie wettelijk voorgeschreven wordt, zou de positie daarvan duidelijker geregeld moeten worden.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Het advies is op 15 april 2015 aan de staatssecretaris verzonden en op 22 april 2015 door de raad openbaar gemaakt. M.b.t. dit advies vraagt het CBOO zich af of bij het gekunsteld onderbrengen van openbaar onderwijs in een privaatrechtelijke stichting nog sprake is van ‘van overheidswege gegeven onderwijs’, zoals is geformuleerd in grondwetsartikel 23 lid 4. Zeker wordt daarmee geen recht gedaan aan de opmerking van de onderwijsjuristen, dat grondwetsartikel 23 uitgaat van het primaat van het openbaar onderwijs.

Het CBOO spreekt in de bestuursvergadering van 9 juni a.s. over de prioriteitsstelling in de beleidsagenda openbaar onderwijs. De keuze van prioriteit lijkt bij voorbaat sterk te worden beïnvloed door het hiervoor besproken advies van de Onderwijsraad t.a.v. de samenwerkingsschool.

Voor het volledige advies, klik HIER.

Meer informatie over de prioriteitsstelling en het CBOO-standpunt m.b.t. de verdere gang van zaken t.a.v. de samenwerkingsschool treft u aan in CBOO-bericht week 25.






Problemen in krimpregio Noordoost-Friesland


De Leeuwarder Courant van zaterdag 23 april jl. meldt het volgende:


1. ROOBOL:  Leeuwarder Courant – zaterdag

Twijfel over toezicht ROOBOL in Dokkum

Het is de vraag of het de Raad van Toezicht van scholenkoepel ROOBOL voor 1 juni lukt nieuwe leden voor te dragen. De gemeenteraad van Dongeradeel wil dat, omdat de benoeming van de huidige RvT onrechtmatig is.

ROOBOL zegt niet precies te weten welke verwachtingen de gemeenteraad heeft over de nieuwe leden. Gezien de recente ophef bij ROOBOL lijkt het onwaarschijnlijk dat de huidige Raad van Toezicht ongewijzigd wordt herbenoemd.

VVD’er Anton van der Aar heeft de indruk dat de Raad van Toezicht dat toch van plan is, en daarmee wettelijke procedures omzeilt. Dan zou een ‘breder probleem’ worden genegeerd, stelt Jouke Douwe de Vries (Dongeradeel Sociaal).


2. De gemeente Menameradiel heeft geweigerd mee te betalen aan een nieuwe school, waarin openbaar en christelijk PO-onderwijs onder één dak zouden komen, omdat beide weigeren daadwerkelijk te fuseren. De huidige schoolgebouwen voldoen niet meer aan de eisen. Er moet iets gebeuren.


Het 1e onderwerp vraagt om extra aandacht, zoals reeds eerder is gebleken. De situatie in Menameradiel geeft het probleem aan wat er kan gebeuren, wanneer schoolbesturen enerzijds staan op zelfstandigheid, maar anderzijds ongegeneerd bijdragen vragen uit de staatsruif.






Structurele hulp voor Noordoost-Friesland


Het vorige onderwerp geeft aan dat demografische krimp grote problemen oplevert voor het openbaar en bijzonder onderwijs. Ook voor deze regio gloort er nu hoop. De vraag is nog wel hoe de middelen voor een structurele aanpak van de problemen worden ingezet.

Lees HIER verder.

 




Medezeggenschap en de CAO - PO


De Vereniging voor Openbaar Onderwijs (VOO) laat via haar website weten hoe leden van medezeggenschapsraden (personeel en ouders) kunnen weten op welke punten in de nieuwe CAO - PO instemmingsrecht bestaat. Een handig overzicht wijst verder de weg.

Voor meer informatie, klik HIER.  

 




Extra geld voor leraren is volgens staatssecretaris Dekker goed gebruikt

(door: ANP)


Scholen hebben de 150 miljoen euro die ze vorig jaar hebben gekregen voor meer leraren goed gebruikt. Staatssecretaris Sander Dekker van Onderwijs is daarvan overtuigd, zei hij woensdag in de Tweede Kamer.

Hij reageerde daarmee op forse kritiek van de oppositie die stelt dat de belofte om met het geld drieduizend extra leraren aan te nemen, niet is gehaald. Vooral SP en CDA haalden uit en spraken van ''een lege huls'' en ''een marketingpraatje''. Ze denken dat scholen het geld veelal aan andere zaken hebben uitgegeven.

De bestemming valt niet goed aan te tonen, omdat het extra geld in het vrij besteedbare budget van de scholen terecht is gekomen. Dat was ook zo afgesproken, maar het irriteert de Kamer toch dat er mist bestaat over de besteding. Ook regeringspartij PvdA wil dat scholen beter aantonen of ze met dit soort middelen echt de afspraken nakomen die zijn gemaakt in de onderwijssector.

Dekker wees erop dat het om zeker achtduizend scholen gaat en het dus niet zo is dat elke school één leraar erbij krijgt. Het kan volgens hem ook zo zijn dat een parttime baan een voltijdse baan wordt of dat een leraar toch binnenboord kan worden gehouden als het aantal leerlingen terugloopt.

Daarom vindt de staatssecretaris het juist goed dat scholen hun eigen keuze kunnen maken en hij vertrouwt erop dat zij verstandige beslissingen nemen. Vanaf 2015 zullen veel oudere leraren stoppen met werken dus scholen moeten dan sowieso nieuwe leraren aantrekken.

 



NIEUWE MOGELIJKHEDEN         

Het CBOO bericht is niet alleen bron van nieuws, dat wordt aangeboden.

U kunt er zelf ook aan bijdragen door:

  • te reageren op meningen, die er in worden gegeven. Ze zullen mits niet buiten publicitaire orde worden geplaatst om de berichten ook als interactief medium te kunnen inzetten. Ze worden dan immers een forum voor discussie!
  • nieuws te plaatsen, dat behalve voor uw openbare school of daaraan verwante instelling interessant kan zijn voor lezers van CBOO berichten. Dat kan te maken hebben met positieve PR t.b.v. openbare scholen, tot het aankondigen van manifestaties die van belang zijn voor velen die in of voor het openbaar onderwijs werken.
  • oproepen te laten plaatsen voor acties, die met het openbaar onderwijs van doen hebben. Mogelijkheid daarbij is, dat het CBOO een intermediaire rol kan spelen bij het onder de aandacht brengen van het door u te berde gebrachte bij bijvoorbeeld lokale overheden, besturen openbaar onderwijs, maar ook landelijke politici. Die lezen voor zover het leden van de Vaste Kamercommissie Onderwijs van de Tweede Kamer (en ambtenaren van het Ministerie van OCW) betreft ook CBOO berichten.
  • voor voorgaande zaken en voor verdere inlichtingen te mailen met info@cboo.nl of te bellen 030 - 2989167 (buiten kantooruren wordt u doorgeschakeld naar mobiel nummer van CBOO secretaris M. Hietbrink).



LET OP!!!! NIEUW PRIVE-EMAILADRES!!   CBOO-secretaris M. Hietbrink is bereikbaar op:

030 - 298 91 67

mob: 06 - 539 744 37
email: info@cboo.nl of mhietbrink1948@gmail.com